De diagnose
Als er eenmaal een vermoeden is dat uw klachten een neurologische oorzaak hebben, kan de diagnose worden gesteld. Dit gebeurt door een neuroloog. Hij of zij doet dit op basis van de klachten, algemeen neurologisch onderzoek en MRI-onderzoek. Soms wordt dit aangevuld met onderzoek van het hersenvocht via een ruggenprik. Bij MS is sprake van afwisselende perioden met klachten (aanvallen). Er is een erkend verband tussen de klachten en de verhardingen in het zenuwstelsel. Aanvullend onderzoek sluit een andere verklaring voor de klachten uit. Het kan een tijdje duren voordat aan MS wordt gedacht
MS begint vaak met min of meer vage, niet goed te omschrijven klachten (bijvoorbeeld moeheid of duizeligheid). Deze kunnen zoveel oorzaken hebben dat de huisarts meestal niet meteen aan MS denkt. Daar komt bij dat deze klachten vanzelf weer kunnen verdwijnen. Na een tijdje ontstaan opnieuw klachten, die opnieuw vaag kunnen zijn. Zo kan het een tijdje duren voordat aan MS wordt gedacht.
Verwijzing naar de neuroloog
Op een gegeven moment zal de huisarts gaan denken aan een neurologische oorzaak van de klachten, bijvoorbeeld MS. In dat geval zal hij of zij u verwijzen naar de neuroloog. Hoewel MS geen eenvoudige diagnose is, geldt als vuistregel dat de neuroloog de diagnose MS snel kan stellen (of uitsluiten: er kunnen ook andere neurologische oorzaken van de klachten zijn).
Diagnostisch onderzoek
Om een diagnose te stellen, combineert de neuroloog gegevens over uw klachten, het algemeen neurologisch onderzoek en van het MRI-onderzoek.
Soms is aanvullend een onderzoek nodig van het hersenvocht (liquor), een vloeistof die rond de hersenen en in het ruggenmerg stroomt. De samenstelling van dit vocht - dat wordt afgenomen via een ruggenprik - is bij MS meestal afwijkend.
Differentiaaldiagnose
Vaak wordt nog ander onderzoek gedaan. Bijvoorbeeld een MRI van de wervelkolom. De reden daarvan is om gegevens te krijgen over mogelijke andere aandoeningen die uw klachten kunnen veroorzaken. Het onderzoeken van mogelijke andere verklaringen voor uw klachten noemen artsen de differentiaaldiagnose.
Wanneer is het MS?
Om de diagnose MS te kunnen stellen moeten de gevonden gegevens aan de volgende drie voorwaarden voldoen.
- Het moet duidelijk zijn dat de klachten samenhangen met twee of meerdere ontstoken plekken in het centrale zenuwstelsel. Dit blijkt uit uw klachten en het MRI-onderzoek.
- Het moet duidelijk zijn dat de verharde plekken minstens een maand na elkaar zijn ontstaan, dus niet tegelijkertijd. Dit blijkt uit het verloop van de klachten (meerdere ‘aanvallen’) en kan ook worden gezien op een MRI (waarop het verschil is te zien tussen oudere en nieuwere beschadigingen).
- Het moet duidelijk zijn dat er geen andere verklaring voor de klachten te vinden is, dus een andere aandoening dan MS. Ook hierbij speelt MRI een grote rol, maar er zijn veel meer onderzoeken die hierbij gebruikt kunnen worden.
CIS
Soms kan de diagnose MS (nog) niet worden gesteld. Dat is het geval bij CIS, een Clinically Isolated Syndrome (klinisch geïsoleerd syndroom). Hierbij is sprake van één of meerdere verharde plekken in het zenuwstelsel, maar is er slechts één periode met klachten geweest (‘aanval’). Het kan dan weliswaar gaan om MS, maar mogelijk ook om een andere (neurologische) aandoening. Als zich na een tijdje opnieuw een aanval voordoet, kan de diagnose MS zeker worden gesteld.